Blogopmaak

Woensdag 9 maart 2016

Om 10 uur komt de WMO-consulente, Riet Itzinga. Zij is een beetje verbaasd dat Bert er niet is, maar ik leg haar uit dat hij in het ziekenhuis in Utrecht ligt. Zij vertelt dat zij eigenlijk fysiotherapeute is; gelukkig, dan heeft zij in ieder geval zicht op beperkingen en wat dan mogelijk is.


In eerste instantie gaat de afspraak vandaag alleen over de toekenning van een pasje voor de rolstoeltaxi, maar inmiddels lijkt dat niet meer zo belangrijk.

Ik vertel alles wat er tot nu toe gebeurd is; dat lukt me niet zonder erg emotioneel te worden. Maar zij is vriendelijk en erg begripvol: “Tjonge, wat een verhaal, dat is echt een achtbaan waar jullie nu in zitten.”

Het lijkt haar duidelijk dat dat pasje geen probleem is, maar we hebben het ook over de mogelijkheden om het huis aan te passen. Wij willen er het liefst een stuk achter bouwen; de achtertuin is diep genoeg en dan hebben we nog een grote tuin aan de zijkant over. Of zou een lift naar boven kunnen?


We bespreken en bekijken hoe het huis er uitziet en wat er eventueel kan met aanpassingen. Boven is te krap voor een rolstoel, beneden is er wel voldoende ruimte. Zij stelt nog voor de woonkamer ‘doormidden te delen’ om in de zithoek een slaapkamer te maken, maar dat zie ik echt niet zitten. Dan blijft er een heel kleine, donkere huiskamer over, waar je nauwelijks met een rolstoel kunt manoeuvreren.

En de bijkeuken/berging moet dan omgebouwd tot badkamer, waarmee we veel bergruimte kwijt zijn.


“De gemeente heeft aangepaste huurwoningen, dat is misschien een betere optie”. Daar schrik ik enorm van; niet alleen het idee van verhuizen, met alle ‘gedoe’ dat daarbij komt, maar ook het verkopen van ons huis. We hebben nu een fijn, groot huis met een grote tuin. Bert kan beneden overal goed komen met de rolstoel, het is vlakbij school, we hebben voldoende logeerruimte en we (zeker Bert) hebben zoveel aan dit huis gedaan. Ik moet er niet aan denken dat allemaal in te wisselen voor een ‘Focuswoning’.

Riet begrijpt het, maar wil wel duidelijke argumenten hebben waarom dat geen goede optie is. “De gemeente kijkt wat de voordeligste oplossing is, dus als jullie dat niet willen moet ik wel goed kunnen onderbouwen waarom niet.” Ook hierin denkt zij mee, want ze informeert of we regelmatig logees hebben (inderdaad, Emil is regelmatig hier en als Anne uit Engeland overkomt blijft zij uiteraard ook een poos logeren). “Dus een paar logeerkamers hebben jullie gewoon nodig”, concludeert ze.

“Ik maak een verslag van alles wat we hebben besproken en dat leg ik voor aan de gemeente. Het pasje ga ik voor jullie regelen en met de rest moeten we denk ik nog even wachten. Nu is nog helemaal niet zeker wat er over een tijdje nodig is, hoe het verder gaat. Jullie krijgen ook een verslag van het gesprek en dan houden we contact”. Met die afspraak vertrekt ze; ik ben blij met haar begrip en ‘meedenken’, maar ook een beetje verontrust. Wat nu als de gemeente ‘gewoon’ beslist dat we maar moeten verhuizen?


Voor ik weer naar Utrecht ga, maak ik een brief voor de buren. Met sommigen hebben we meer contact dan met anderen, dus die weten al hoe het ermee is. Maar anderen weten nog van niets. In de zomer zie je elkaar wat eerder buiten, maar dat is in de winterperiode altijd minder. In de brief vertel ik wat er gebeurd is en hoe de situatie nu is; ook vraag ik of mensen via de mail op de hoogte willen blijven. Dan kunnen ze me een mail sturen en voeg ik ze toe.

Share by: